Wikia

Insect Wiki

Insect terminology

Talk1
591pages on
this wiki
This page uses words in a foreign language. Please translate it into English.

In entomology (in an extended sense, here also including e.g. spider words) lots of words occur that have a specific meaning within that science, and are not used outside the field or in a different context. The meaning of each word has been concisely defined here. Words in the explanation that also occur in the list are in italics. The list is a translation of an article in the Dutch wikipedia.


AEdit

abdomen (abdomina) 
hind part of body, primitively constructed of 11 segments, usually less in practice.
abundance 
number of specimens of a species in a location
cerci 
usually paired appendices of the abdomen
aculeate 
having an stinger
aedagus 
mating organ of a male insect, consisting of phallus and paramers. Sometimes just the penis is meant.
aestivation 
long period of rest in the hot season, 'summer sleep'
alate 
winged
alarm pheromone 
pheromone (volatile signalling chemical) that alarms members of a group in case of danger.
allomone 
signalling chemical that is useful for the producer because of its effect on the receiver.
anal 
in the direction of the anus, of the anus
anal tubercle 
a little bump in spiders where the anus opening is found.
stinger 
organ that injects venom.
antenna (antennae) 
projections from the head of insects near the eyes, that have a largely sensorial function (touch, smell).
antennomere 
antenna segment
anterior 
of the front part, in front
apical 
towards the tip or the end, syn. distal, esp wrt insect wings
aposematic 
of lively coloring with a warning function (I am poisonous, I taste bad) e.g. yellowjacket, ladybird
apteer 
not winged
apterygota 
insect orders without wings
araneology 
spider science
araneomorph 
belonging to the more recently evolved spiders (see mygalomorph)
arista 
a specific large bristle on the antenna of flies
arolium 
sticky flat bit between the claws of an insect leg (flies, some true bugs)
articulate with 
form a (moveable) joint with,
arrhenotokia 
form of reproduction where females come from fertilized, males from unfertilized eggs.

BEdit

basal 
at the base, proximal, opposed to apical.
benthic 
living on the bottom/in sediment of lakes/rivers
bivoltine 
producing two generations per year.
soil trap 
dug in pot as a trap for insects and spiders. Usually with lethal fluid to prevent escape.
brachypteric 
short-winged, esp. of certain forms of some true bugs
Malpighian tubules 
excretion organs with function analogous to kidneys

CEdit

calamistrum 
kam op poot IV waarmee spinnen met een cribellum cribellaaat spinsel hanteren.
carapax (spinnen) 
rugschild van cephalothorax
cardo 
secundaire kaak, gevormd uit basaal segment van maxilla
carina (= kiel
richel
carnivoor 
vleeseter (vlees van andere insecten)
caudaal 
in de richting van de staart, achterkant.
caudaallamel 
bladvormig aanhangsel (in drievoud) aan het achterlijf van waterjufferlarven (zie staartlamel)
cel 
door aders omsloten stukje vleugel; broedcel van een bijenraat
cephaal 
in de richting van de kop
cephalothorax (spinnen) 
kopborststuk, ook prosoma
cercus (mv cerci) 
gepaarde aanhangsels, meestal aan het uiteinde van het abdomen
cheliceren (spinnen) 
gifkaken
chitine 
het materiaal waar het exoskelet van een insect grotendeels van is gemaakt
clade 
taxon met 1 gemeenschappelijke voorouder
cladistiek 
indeling op grond van afstamming
cladogram 
afstammingsschema
clavaat 
knotsvormig (van antenne)
clavus 
proximale achterrand van hemelytrum van wantsen
clypeus 
deel van het gelaat van een insect, tusen frons en labrum
coarctaat 
van poppen, waarbij de lichaamsuitsteeksels (poten, antennes, vleugels) van het imago verborgen zijn onder de huid van het laatste larvenstadium. Zie exaraat en obtect.
coleoptera 
kevers
colulus 
rudimentair uitsteeksel net voor de spintepels
coprofaag 
mest-etend
copula 
mannetje en vrouwtje tijdens paring (gevangen/geobserveerd)
corium 
centrale proximale deel van hemelytrum van wants
costa 
'rib', tweede longitudinale ader in een vleugel, van voren geteld
coxa (heup) 
eerste pootsegment, van het lichaam gerekend
craniaal 
aan de kant van/in de richting van de schedel
cribellaat (spinnen) 
voorzien van cribellum
cribellum 
gespecialiseerde spintepel die vele zeer fijne draden spint
cuneus 
deel van de voorvleugel van een wants, lateraal tussen embolium en membraneus gedeelte in, een driehoek met een basis aan de voorrand.

DEdit

dar 
mannelijke bij
dekschild 
voorste vleugel van een kever, veranderd in hard schild
determinatiekenmerk 
eigenchap waarin een soort verschilt van andere soorten die kan worden gebruikt om de soorten te onderscheiden.
determinatiesleutel 
tabel waarmee systematisch de naam van een plant of dier kan worden opgezocht door naar determinatiekenmerken te kijken
determineren 
naam bepalen van een gevangen dier van onbekende soort door raadplegen van literatuur en tabellen (determinatiesleutels).
detritivoor 
eet vergane/vergaande resten van planten en/of dieren = saprofaag
diapauze 
periode van rust, bv in de overwintering, waarbij de levensverrichtingen op een laag pitje staan
diptera 
tweevleugeligen, de orde der vliegen en muggen
distaal 
van het centrum af, uiteinden van antennes en poten
doorn 
stekel op exoskelet (z. spoor)
dorsaal 
aan de rugzijde (z. ventraal)

EEdit

ecribellaat 
(van spinnen) geen cribellum bezittend (en derhalve gebruik makend van kleverige spinseldraden).
ecdysis 
vervelling
eicocon 
spinsel waarin eieren verpakt zitten
elytrum (elytra) 
dekschild van een kever
embolium 
proximale voorrand van hemelytrum van wantsen
entelegyn 
spinnen waarvan de vrouwtjes een epigyne bezitten
entomofauna 
de insectensoorten van een bepaald gebied
entomologie 
de studie van insecten
epigyne 
geslachtsopening van een vrouwelijke spin, vaak een belangrijk determinatiekenmerk.
epimeron 
achterdeel van de zijkant van ieder van de drie thoraxsegmenten.
epiproct 
aanhangsel ontspruitend aan laatste abdominale segment, in de mediaanlijn.
episternum 
voorste deel van ieder van de drie thoraxsegmenten
euryhygrofiel 
geen sterke voorkeur voor een bepaalde vochtigheidsgraad hebbend.
eurytoop 
niet kieskeurig wat betreft de leefomgeving; kan in veel biotopen leven. Tegenstelling met stenotoop
eusociaal 
in volledig ontwikkelde koloniestructuur levend, met koningin en werksters
exaraat 
van poppen waarbij de structuur van het zich in de pop bevindende imago aan de buitenkant al te zien is. De poten en antennes liggen los buiten het lichaam en zijn enigszins beweeglijk. Andere soorten poppen zijn obtect en coarctaat

FEdit

facetoog 
oog samengesteld uit vele ommatidia
femur (femora) 
dij, 3e pootsegment, vaak zijn femur en tibia de langste pootsegmenten.
feromoon 
gedragsbeïnvloedend geursignaal binnen de eigen soort. (b.v. geslachtsferomonen, alarmferomonen, verspreidingsferomonen, spoorferomonen)
filiform 
draadvormig (van antenne)
flabellaat 
waaiervormig (van antenne)
flagellum 
3e en verdere segmenten van een antenne (z. scapus, pedicel)
fotoperiode 
daglengte
fovea 
donkere plek midden op cephalothorax van spinnen
fytofaag (phytophaag) 
plantenetend
frons 
voorhoofd, ruimte tussen de ogen

GEdit

galea 
buitenste vertakking van maxilla
gena 
wang, deel van de kop tussen mandibelbasis en oog
geniculaat 
knievormig gebogen (b.v. antenne van mier)
geslachtsferomoon 
aantrekkende geurstof voor partner
glossa (mv glossae) 
gepaarde, gefuseerde mediane lob van het labium die basaal met de prementum articuleert.
gregair 
in groepen voorkomend/levend (z. ook solitair, eusociaal)
gula 
keel, deel van de monddelen
gyne 
vrouwelijke vruchtbare bij, niet de koningin van een kolonie.

HEdit

habitus 
uiterlijk, lichaamsbouw
Haller, orgaan van 
zintuigorgaan op meest distale lid van poot I van een teek, functie nog niet geheel begrepen.
halsschild 
pronotum bij kevers
halter (halters) 
rudimentaire achtervleugel bij diptera
hartvlek 
vlek dorsaal en anteromediaal op spinnenachterlijf
hemi 
elytrum (hemelytrum) voorste vleugel van wantsen, half vliezig, half stevig
hibernatie 
het overwinteren
homoplasie 
gelijkvormigheid door parallelle evolutie
hymenoptera 
vliesvleugeligen (bijen, wespen en mieren)
hypermetamorfose 
extra gedaanteverwisseling in larvestadium (z triunguline)
hypostoom 
steeksnuit van een teek.

IEdit

imago (imagines) 
volwassen insect
insectivoor 
insectenetend/insecteneter
instar (engels) 
stadium, toestand tussen twee vervellingen in van een larve

JEdit

KEdit

kairomoon 
communicatiestof die de ontvanger bevoordeelt en de zender benadeelt
kakkerlak 
lid van de orde Blattaria.
kiel 
(carina) richel
klauw 
eind van de voet (meestal 2, bij spinnen soms 3)
kloppen 
manier van vangen van insecten door op takken te slaan en de vallende diertjes op te vange op b.v. een laken.
koningin 
eierleggend individu in bijen : mieren : of termietenkolonie
kop 
voorste deel insectenlichaam, 6 (onherkenbaar versmolten) segmenten

LEdit

labiale palpen 
draadvormige gelede uitsteeksels aan het labium, links en rechts
labium 
'onderlip'
labrum 
'bovenlip'
lacinium (mv lacinia) 
binnenste apicale lob van de maxilla, articulerend met de stipes.
lateraal 
aan de zijkant, naar opzij. tegengesteld aan mediaal
larve 
onvolwassen insect (holometabola)
lentisch 
van stilstaande wateren
lepidoptera 
vlinders
lichtval 
apparaat om insecten te vangen met (evt. UV) licht als lokmiddel
lotisch 
van stromende wateren

MEdit

macropteer 
met volledig ontwikkelde vleugels (z brachypteer)
malaiseval 
insectenval voor vliegende insecten, lijkt op kampeertent.
mandibula (nl mandibel, mv mandibels) 
kaak
maxilla 
kaak achter/onder maxilla (anders dan bij zoogdieren waar de maxilla de bovenkaak is.)
maxillaire palpen 
gelede draadvormige aanhangsels van de maxilla
mediaal 
naar het midden toe, in het midden. Tegenstelling met lateraal.
mentum 
kin, scleriet van het labium die basaal met de submentum en apicaal met de prementum articuleert. Vaak gefuseerd met die laatste en niet als afzonderlijke scleriet te onderscheiden.
mesonotum 
rugdeel van de mesothorax
mesosternum 
buikdeel van de mesothorax
mesothorax 
2e (middelste) segment van de thorax
metamorfose 
gedaanteverwisseling
metanotum 
rugdeel van de metathorax
metasoma 
het 'achterlijf' van de apocrita, bv. van een wesp; bevat anatomisch gezien 1 a 2 segmenten minder dan het abdomen waar ook de petiolus (steel) bij hoort.
metasternum 
buikdeel van de metathorax
metathorax 
3e thoraxsegment
mineren 
het bladgroen tussen de voor- en achterkant van een blad opeten
mimicry 
nabootsing van een ander dier of plant
moniliform 
las een snoer van ronde kralen (van antenne)
monofaag 
slechts 1 soort voedsel etend
morfologie 
vorm van (delen van) het lichaam
mygalomorf 
spin behorend tot een, evolutionair gezien, wat primitievere groep, zie araneomorf

NEdit

necrofaag 
aasetend
neotenie 
kenmerken van een larvaal stadium worden blijven in het imago bewaard
notum 
tergum van een thoraxsegment (pronotum, mesonotum, metanotum)
nymf 
onvolwassen insect (hemimetabola)

OEdit

obtect 
van poppen, waarbij de lichaamsuitsteeksels (poten, antennes, vleugels) van het imago verborgen zijn onder de huid van het laatste larvenstadium, maar hun omtrek/vorm wel te onderscheiden is. Zie ook exaraat en coarctaat.
ocellus (ocelli) 
enkelvoudig oog, zie ook samengesteld oog
occiput 
achterkant van de kop
oligofaag 
slechts weinig soorten voedsel etend
oog 
samengesteld oog, facetoog
ootheca 
eiercocon (bv van bidprinkhaan)
operculum 
dekseltje op eieren van geleedpotigen
opisthosoma 
(ook abdomen) achterlijf van een spin
ommatidium (ommatidia)
1 enkelvoudig oog van de vele in een facetoog
orde 
een van de ca 29 hoofdgroepen van de insecten
ovipositie 
het eierleggen
ovipositor 
legboor of legbuis

PEdit

palp (palpen) 
bij spinnen tasters, bij insecten aanhangsels van de kaken.
parthenogenese 
voortplanting zonder mannetjes
parafyletisch 
groep met een gemeenschappelijke voorouder maar waarin een andere nakomelingengroep van die voorouder ontbreekt (bv reptielen waar de vogels eigenlijk bij zouden moeten)
paraglossa (mv paraglossae) 
gepaarde laterale lob van het labium die basaal met de prementum articuleert, lateraal tov de glossa.
paraproct 
draden aan het achterlijf, niet in het midden (z epiproct)
patella 
'knieschijf', 4e pootsegment (alleen bij spinnen)
parasitoïd 
parasiet die zijn gastheer uiteindelijk te gronde doet gaan, bv veel sluipwespen
pectinaat 
gevormd als een kam (antenne)
pedicel 
2e segment van een antenne (insect). Steel tussen cephalothorax en abdomen (spin)
pedipalp (pedipalpen) 
spinnen-tasters, bij mannetjesspin ook paarorgaan (coxa, trochanter, femur, patella, tibia en tarsus)
petiolus 
stengel, steel. Bij hymenoptera het dunne deel tussen borststuk en achterlijf (wespentaille). Bij spinnen ook wel gebruikt voor de verbinding tussen prosoma en opisthosoma (z pedicel)
phytophaag 
z. fytofaag
pleuron 
scleriet aan de zijkant van een lichaamssegment
polyfaag 
veel soorten voedsel etend
polyfenisme 
verschillen tussen individuen door uiterlijke omstandigheden (bv imagines met een andere kleur in de zomer dan hun nakomelingen in de herfst)
polymorfisme 
uiterlijke verschillen tussen individuen van dezelfde soort.
poot (insect) 
coxa, trochanter, femur, tibia, tarsus, pretarsus (=klauw)
poot (spin) 
coxa, trochanter, femur, patella, tibia, metatarsus, tarsus, pretarsus
postmentum 
precosta 
eerste vleugelader
prementum 
scleriet van het labium die basaal articuleert met de mentum en waarop zich apicaal glossae, paraglossae, and palpi bevinden.
pretarsus 
voorlaatste (in distale richting) deel van spinnepoot, voor de tarsus.
pronotum 
rugdeel van eerste segment van de thorax
prosoma 
cephalothorax van spinnen
prosternum 
buikdeel eerste thoraxsegment
prothorax 
1e segment van de thorax
proximaal 
naar het lichaam toe, binnenste delen van poten en antennes
pterygota 
gevleugelde insecten (en secundair ongevleugelden, zoals vlooien)
pterostigma 
verdikte en gekleurde cel(len) in de vleugels van een insect
pupa 
pop (holometabola)

QEdit

REdit

rostrum 
steeksnuit van wantsen en bladluizen
rudimentair 
nog slechts als rest aanwezig

SEdit

samengesteld oog 
z. facetoog
saprofaag 
z. detritivoor
scapus 
1e segment van een antenne
scleriet 
harde chitineplaat omgeven door naden of zachte huid op buitenkant insect.
scopula 
borstel haren aan tarsus en soms ook metatarsus van een spin tbv hechting
scutellum 
driehoekig stukje van het mesonotum, vaak groot bij wantsen
segment 
geleding van insectenlichaam, of van een voet, of van een antenne
semivoltien 
met 1 generatie per 2 jaar (z voltien, bivoltien)
sensu lato (s.l.) 
in ruime zin, (in de hele biologie gebruikt, meestal als er verschillende definities van een soort of taxon zijn.)
sensu strictu (s.s.) 
in engere zin, zie sensu lato.
seta 
(zintuig)haar
skeleteren 
het bladmoes van de onderzijde van het blad wegvreten.
solitair 
alleenlevend
spermatofoor 
spermapakketje
spintepel (spinnen) 
orgaan dat een draad kan produceren
spoor 
doorn met basisgewricht
spoorferomoon 
geurstof die soortgenoten de weg wijst (vooral bij mieren)
staartlamel 
bladvormig aanhangsel (in drievoud) aan het achterlijf van waterjufferlarven
stekel 
dikke afstaande haar op spinnepoot
stenotoop 
van een dier dat zeer specifieke eisen aan de leefomgeving stelt, tegenstelling met eurytoop
sterniet 
stevige buikzijde van segment van een insect
sternum 
buikzijde van een segment (insect). buikzijde carapax (spin)
stigma 
opening van een trachee aan de zijkant van het lichaam
stipes 
scleriet van de maxilla die articuleert met de cardo
stippeling 
putjes, b.v. op dek- of halsschild
striduleren 
tsjirpen
stylopisatie 
infectie van een gastheer met een soort van de strepsiptera
subcosta 
derde longitudinale ader in een vleugel (z. ook precosta, costa)
subsociaal 
sociaal systeem met enige broedzorg na het uitkomen van de eieren (z ook eusociaal)
submentum 
basale scleriet van het labium, articuleert apicaal met mentum
sutuur 
aan de buitenkand zichtbare naad die de vergroeiing van twee chitineplaten (sclerieten) kan markeren
synantroop 
geassocieerd met mensen of menselijke bewoning (bv kakkerlakken)
synapomorfie 
gelijkvormigheid door gezamenlijke afstamming (z homoplasie)
synomoon 
communicatiestof die zowel van nut is voor ontvanger als zender

TEdit

tagma 
een van de 2 hoofdgeledingen van het spinnen- of 3 van het insectenlichaam, ontstaan door versmelting van een aantal segmenten.
tagmosis 
het vormen van tagma's uit segmenten
tars 
zie tarsus
tarsomeer 
ieder van de tarsussegmenten
tarsus 
(insect) voet, laatste deel van de poot, bestaat uit tot 5 kleine segmentjes met een klauw. (spin) pootsegment net voor de klauw.
taxon 
taxonomische indelingsgroep, ongeacht het niveau.
tergum 
rugkant van achterlijfssegment van een insect
tergiet 
stevig deel van de rugkant van achterlijf van een insect
thermofiel 
warmteminnend
thorax 
borststuk (3 segmenten)
tibia (tibiae) 
scheen (insect, pootsegment 4) (spin, pootsegment 5)
trachee 
luchtbuisje
tracheekieuw 
bladvormig aanhangsel (in drievoud) aan het achterlijf van waterjufferlarven (zie staartlamel)
traumatische inseminatie 
bevruchting door penetratie van de lichaamshuid ipv de vagina
trichobothrium 
dunne dwars afstaande zintuighaar (spin)
triunguline 
actieve beweeglijke larve in het eerste stadium, vaak hypermetamorfose ondergaand
trochanter (trochanteres) 
2e segment van de poot

UEdit

unguis 
nagel, ook klauw, zie aldaar
univoltien 
een generatie per jaar producerend
ubiquist 
benaming voor dieren die overal voorkomen en niet aan een bepaald klimaat of geografische plaats gebonden zijn

VEdit

ventraal 
aan de buikzijde
verspreidingsferomoon 
geurstof die zorgt dat soortgenoten niet te dicht op elkaar gaan zitten
vertex 
ruimte tussen de ogen aan de bovenkant van de kop
voltien 
1 generatie per jaar producerend

WEdit

werkster 
vrouwelijke bij of mier die in de kolonie werkt maar zich niet voortplant.

XEdit

xerofiel
drought loving
xylophagous
wood-eating

YEdit

ZEdit

External linksEdit

Hymenoptera-glossarium (Engels)

Around Wikia's network

Random Wiki