Wikia

Insect Wiki

Insect terminology

596pages on
this wiki
Talk1
This page uses words in a foreign language. Please translate it into English.

In entomology (in an extended sense, here also including e.g. spider words) lots of words occur that have a specific meaning within that science, and are not used outside the field or in a different context. The meaning of each word has been concisely defined here. Words in the explanation that also occur in the list are in italics. The list is a translation of an article in the Dutch wikipedia.


AEdit

abdomen (abdomina)
hind part of body, primitively constructed of 11 segments, usually less in practice.
abundance
number of specimens of a species in a location
cerci
usually paired appendices of the abdomen
aculeate
having an stinger
aedagus
mating organ of a male insect, consisting of phallus and paramers. Sometimes just the penis is meant.
aestivation
long period of rest in the hot season, 'summer sleep'
alate
winged
alarm pheromone
pheromone (volatile signalling chemical) that alarms members of a group in case of danger.
allomone
signalling chemical that is useful for the producer because of its effect on the receiver.
anal
in the direction of the anus, of the anus
anal tubercle
a little bump in spiders where the anus opening is found.
stinger
organ that injects venom.
antenna (antennae)
projections from the head of insects near the eyes, that have a largely sensorial function (touch, smell).
antennomere
antenna segment
anterior
of the front part, in front
apical
towards the tip or the end, syn. distal, esp wrt insect wings
aposematic
of lively coloring with a warning function (I am poisonous, I taste bad) e.g. yellowjacket, ladybird
apteer
not winged
apterygota
insect orders without wings
araneology
spider science
araneomorph
belonging to the more recently evolved spiders (see mygalomorph)
arista
a specific large bristle on the antenna of flies
arolium
sticky flat bit between the claws of an insect leg (flies, some true bugs)
articulate with
form a (moveable) joint with,
arrhenotokia
form of reproduction where females come from fertilized, males from unfertilized eggs.

BEdit

basal
at the base, proximal, opposed to apical.
benthic
living on the bottom/in sediment of lakes/rivers
bivoltine
producing two generations per year.
soil trap
dug in pot as a trap for insects and spiders. Usually with lethal fluid to prevent escape.
brachypteric
short-winged, esp. of certain forms of some true bugs
Malpighian tubules
excretion organs with function analogous to kidneys

CEdit

calamistrum
kam op poot IV waarmee spinnen met een cribellum cribellaaat spinsel hanteren.
carapax (spinnen)
rugschild van cephalothorax
cardo
secundaire kaak, gevormd uit basaal segment van maxilla
carina (= kiel)
richel
carnivoor
vleeseter (vlees van andere insecten)
caudaal
in de richting van de staart, achterkant.
caudaallamel
bladvormig aanhangsel (in drievoud) aan het achterlijf van waterjufferlarven (zie staartlamel)
cel
door aders omsloten stukje vleugel; broedcel van een bijenraat
cephaal
in de richting van de kop
cephalothorax (spinnen)
kopborststuk, ook prosoma
cercus (mv cerci)
gepaarde aanhangsels, meestal aan het uiteinde van het abdomen
cheliceren (spinnen)
gifkaken
chitine
het materiaal waar het exoskelet van een insect grotendeels van is gemaakt
clade
taxon met 1 gemeenschappelijke voorouder
cladistiek
indeling op grond van afstamming
cladogram
afstammingsschema
clavaat
knotsvormig (van antenne)
clavus
proximale achterrand van hemelytrum van wantsen
clypeus
deel van het gelaat van een insect, tusen frons en labrum
coarctaat
van poppen, waarbij de lichaamsuitsteeksels (poten, antennes, vleugels) van het imago verborgen zijn onder de huid van het laatste larvenstadium. Zie exaraat en obtect.
coleoptera
kevers
colulus
rudimentair uitsteeksel net voor de spintepels
coprofaag
mest-etend
copula
mannetje en vrouwtje tijdens paring (gevangen/geobserveerd)
corium
centrale proximale deel van hemelytrum van wants
costa
'rib', tweede longitudinale ader in een vleugel, van voren geteld
coxa (heup)
eerste pootsegment, van het lichaam gerekend
craniaal
aan de kant van/in de richting van de schedel
cribellaat (spinnen)
voorzien van cribellum
cribellum
gespecialiseerde spintepel die vele zeer fijne draden spint
cuneus
deel van de voorvleugel van een wants, lateraal tussen embolium en membraneus gedeelte in, een driehoek met een basis aan de voorrand.

DEdit

dar
mannelijke bij
dekschild
voorste vleugel van een kever, veranderd in hard schild
determinatiekenmerk
eigenchap waarin een soort verschilt van andere soorten die kan worden gebruikt om de soorten te onderscheiden.
determinatiesleutel
tabel waarmee systematisch de naam van een plant of dier kan worden opgezocht door naar determinatiekenmerken te kijken
determineren
naam bepalen van een gevangen dier van onbekende soort door raadplegen van literatuur en tabellen (determinatiesleutels).
detritivoor
eet vergane/vergaande resten van planten en/of dieren = saprofaag
diapauze
periode van rust, bv in de overwintering, waarbij de levensverrichtingen op een laag pitje staan
diptera
tweevleugeligen, de orde der vliegen en muggen
distaal
van het centrum af, uiteinden van antennes en poten
doorn
stekel op exoskelet (z. spoor)
dorsaal
aan de rugzijde (z. ventraal)

EEdit

ecribellaat
(van spinnen) geen cribellum bezittend (en derhalve gebruik makend van kleverige spinseldraden).
ecdysis
vervelling
eicocon
spinsel waarin eieren verpakt zitten
elytrum (elytra)
dekschild van een kever
embolium
proximale voorrand van hemelytrum van wantsen
entelegyn
spinnen waarvan de vrouwtjes een epigyne bezitten
entomofauna
de insectensoorten van een bepaald gebied
entomologie
de studie van insecten
epigyne
geslachtsopening van een vrouwelijke spin, vaak een belangrijk determinatiekenmerk.
epimeron
achterdeel van de zijkant van ieder van de drie thoraxsegmenten.
epiproct
aanhangsel ontspruitend aan laatste abdominale segment, in de mediaanlijn.
episternum
voorste deel van ieder van de drie thoraxsegmenten
euryhygrofiel
geen sterke voorkeur voor een bepaalde vochtigheidsgraad hebbend.
eurytoop
niet kieskeurig wat betreft de leefomgeving; kan in veel biotopen leven. Tegenstelling met stenotoop
eusociaal
in volledig ontwikkelde koloniestructuur levend, met koningin en werksters
exaraat
van poppen waarbij de structuur van het zich in de pop bevindende imago aan de buitenkant al te zien is. De poten en antennes liggen los buiten het lichaam en zijn enigszins beweeglijk. Andere soorten poppen zijn obtect en coarctaat

FEdit

facetoog
oog samengesteld uit vele ommatidia
femur (femora)
dij, 3e pootsegment, vaak zijn femur en tibia de langste pootsegmenten.
feromoon
gedragsbeïnvloedend geursignaal binnen de eigen soort. (b.v. geslachtsferomonen, alarmferomonen, verspreidingsferomonen, spoorferomonen)
filiform
draadvormig (van antenne)
flabellaat
waaiervormig (van antenne)
flagellum
3e en verdere segmenten van een antenne (z. scapus, pedicel)
fotoperiode
daglengte
fovea
donkere plek midden op cephalothorax van spinnen
fytofaag (phytophaag)
plantenetend
frons
voorhoofd, ruimte tussen de ogen

GEdit

galea
buitenste vertakking van maxilla
gena
wang, deel van de kop tussen mandibelbasis en oog
geniculaat
knievormig gebogen (b.v. antenne van mier)
geslachtsferomoon
aantrekkende geurstof voor partner
glossa (mv glossae)
gepaarde, gefuseerde mediane lob van het labium die basaal met de prementum articuleert.
gregair
in groepen voorkomend/levend (z. ook solitair, eusociaal)
gula
keel, deel van de monddelen
gyne
vrouwelijke vruchtbare bij, niet de koningin van een kolonie.

HEdit

habitus
uiterlijk, lichaamsbouw
Haller, orgaan van
zintuigorgaan op meest distale lid van poot I van een teek, functie nog niet geheel begrepen.
halsschild
pronotum bij kevers
halter (halters)
rudimentaire achtervleugel bij diptera
hartvlek
vlek dorsaal en anteromediaal op spinnenachterlijf
hemi
elytrum (hemelytrum) voorste vleugel van wantsen, half vliezig, half stevig
hibernatie
het overwinteren
homoplasie
gelijkvormigheid door parallelle evolutie
hymenoptera
vliesvleugeligen (bijen, wespen en mieren)
hypermetamorfose
extra gedaanteverwisseling in larvestadium (z triunguline)
hypostoom
steeksnuit van een teek.

IEdit

imago (imagines)
volwassen insect
insectivoor
insectenetend/insecteneter
instar (engels)
stadium, toestand tussen twee vervellingen in van een larve

JEdit

KEdit

kairomoon
communicatiestof die de ontvanger bevoordeelt en de zender benadeelt
kakkerlak
lid van de orde Blattaria.
kiel
(carina) richel
klauw
eind van de voet (meestal 2, bij spinnen soms 3)
kloppen
manier van vangen van insecten door op takken te slaan en de vallende diertjes op te vange op b.v. een laken.
koningin
eierleggend individu in bijen : mieren : of termietenkolonie
kop
voorste deel insectenlichaam, 6 (onherkenbaar versmolten) segmenten

LEdit

labiale palpen
draadvormige gelede uitsteeksels aan het labium, links en rechts
labium
'onderlip'
labrum
'bovenlip'
lacinium (mv lacinia)
binnenste apicale lob van de maxilla, articulerend met de stipes.
lateraal
aan de zijkant, naar opzij. tegengesteld aan mediaal
larve
onvolwassen insect (holometabola)
lentisch
van stilstaande wateren
lepidoptera
vlinders
lichtval
apparaat om insecten te vangen met (evt. UV) licht als lokmiddel
lotisch
van stromende wateren

MEdit

macropteer
met volledig ontwikkelde vleugels (z brachypteer)
malaiseval
insectenval voor vliegende insecten, lijkt op kampeertent.
mandibula (nl mandibel, mv mandibels)
kaak
maxilla
kaak achter/onder maxilla (anders dan bij zoogdieren waar de maxilla de bovenkaak is.)
maxillaire palpen
gelede draadvormige aanhangsels van de maxilla
mediaal
naar het midden toe, in het midden. Tegenstelling met lateraal.
mentum
kin, scleriet van het labium die basaal met de submentum en apicaal met de prementum articuleert. Vaak gefuseerd met die laatste en niet als afzonderlijke scleriet te onderscheiden.
mesonotum
rugdeel van de mesothorax
mesosternum
buikdeel van de mesothorax
mesothorax
2e (middelste) segment van de thorax
metamorfose
gedaanteverwisseling
metanotum
rugdeel van de metathorax
metasoma
het 'achterlijf' van de apocrita, bv. van een wesp; bevat anatomisch gezien 1 a 2 segmenten minder dan het abdomen waar ook de petiolus (steel) bij hoort.
metasternum
buikdeel van de metathorax
metathorax
3e thoraxsegment
mineren
het bladgroen tussen de voor- en achterkant van een blad opeten
mimicry
nabootsing van een ander dier of plant
moniliform
las een snoer van ronde kralen (van antenne)
monofaag
slechts 1 soort voedsel etend
morfologie
vorm van (delen van) het lichaam
mygalomorf
spin behorend tot een, evolutionair gezien, wat primitievere groep, zie araneomorf

NEdit

necrofaag
aasetend
neotenie
kenmerken van een larvaal stadium worden blijven in het imago bewaard
notum
tergum van een thoraxsegment (pronotum, mesonotum, metanotum)
nymf
onvolwassen insect (hemimetabola)

OEdit

obtect
van poppen, waarbij de lichaamsuitsteeksels (poten, antennes, vleugels) van het imago verborgen zijn onder de huid van het laatste larvenstadium, maar hun omtrek/vorm wel te onderscheiden is. Zie ook exaraat en coarctaat.
ocellus (ocelli)
enkelvoudig oog, zie ook samengesteld oog
occiput
achterkant van de kop
oligofaag
slechts weinig soorten voedsel etend
oog
samengesteld oog, facetoog
ootheca
eiercocon (bv van bidprinkhaan)
operculum
dekseltje op eieren van geleedpotigen
opisthosoma
(ook abdomen) achterlijf van een spin
ommatidium (ommatidia)
1 enkelvoudig oog van de vele in een facetoog
orde
een van de ca 29 hoofdgroepen van de insecten
ovipositie
het eierleggen
ovipositor
legboor of legbuis

PEdit

palp (palpen)
bij spinnen tasters, bij insecten aanhangsels van de kaken.
parthenogenese
voortplanting zonder mannetjes
parafyletisch
groep met een gemeenschappelijke voorouder maar waarin een andere nakomelingengroep van die voorouder ontbreekt (bv reptielen waar de vogels eigenlijk bij zouden moeten)
paraglossa (mv paraglossae)
gepaarde laterale lob van het labium die basaal met de prementum articuleert, lateraal tov de glossa.
paraproct
draden aan het achterlijf, niet in het midden (z epiproct)
patella
'knieschijf', 4e pootsegment (alleen bij spinnen)
parasitoïd
parasiet die zijn gastheer uiteindelijk te gronde doet gaan, bv veel sluipwespen
pectinaat
gevormd als een kam (antenne)
pedicel
2e segment van een antenne (insect). Steel tussen cephalothorax en abdomen (spin)
pedipalp (pedipalpen)
spinnen-tasters, bij mannetjesspin ook paarorgaan (coxa, trochanter, femur, patella, tibia en tarsus)
petiolus
stengel, steel. Bij hymenoptera het dunne deel tussen borststuk en achterlijf (wespentaille). Bij spinnen ook wel gebruikt voor de verbinding tussen prosoma en opisthosoma (z pedicel)
phytophaag
z. fytofaag
pleuron
scleriet aan de zijkant van een lichaamssegment
polyfaag
veel soorten voedsel etend
polyfenisme
verschillen tussen individuen door uiterlijke omstandigheden (bv imagines met een andere kleur in de zomer dan hun nakomelingen in de herfst)
polymorfisme
uiterlijke verschillen tussen individuen van dezelfde soort.
poot (insect)
coxa, trochanter, femur, tibia, tarsus, pretarsus (=klauw)
poot (spin)
coxa, trochanter, femur, patella, tibia, metatarsus, tarsus, pretarsus
postmentum
precosta
eerste vleugelader
prementum
scleriet van het labium die basaal articuleert met de mentum en waarop zich apicaal glossae, paraglossae, and palpi bevinden.
pretarsus
voorlaatste (in distale richting) deel van spinnepoot, voor de tarsus.
pronotum
rugdeel van eerste segment van de thorax
prosoma
cephalothorax van spinnen
prosternum
buikdeel eerste thoraxsegment
prothorax
1e segment van de thorax
proximaal
naar het lichaam toe, binnenste delen van poten en antennes
pterygota
gevleugelde insecten (en secundair ongevleugelden, zoals vlooien)
pterostigma
verdikte en gekleurde cel(len) in de vleugels van een insect
pupa
pop (holometabola)

QEdit

REdit

rostrum
steeksnuit van wantsen en bladluizen
rudimentair
nog slechts als rest aanwezig

SEdit

samengesteld oog
z. facetoog
saprofaag
z. detritivoor
scapus
1e segment van een antenne
scleriet
harde chitineplaat omgeven door naden of zachte huid op buitenkant insect.
scopula
borstel haren aan tarsus en soms ook metatarsus van een spin tbv hechting
scutellum
driehoekig stukje van het mesonotum, vaak groot bij wantsen
segment
geleding van insectenlichaam, of van een voet, of van een antenne
semivoltien
met 1 generatie per 2 jaar (z voltien, bivoltien)
sensu lato (s.l.)
in ruime zin, (in de hele biologie gebruikt, meestal als er verschillende definities van een soort of taxon zijn.)
sensu strictu (s.s.)
in engere zin, zie sensu lato.
seta
(zintuig)haar
skeleteren
het bladmoes van de onderzijde van het blad wegvreten.
solitair
alleenlevend
spermatofoor
spermapakketje
spintepel (spinnen)
orgaan dat een draad kan produceren
spoor
doorn met basisgewricht
spoorferomoon
geurstof die soortgenoten de weg wijst (vooral bij mieren)
staartlamel
bladvormig aanhangsel (in drievoud) aan het achterlijf van waterjufferlarven
stekel
dikke afstaande haar op spinnepoot
stenotoop
van een dier dat zeer specifieke eisen aan de leefomgeving stelt, tegenstelling met eurytoop
sterniet
stevige buikzijde van segment van een insect
sternum
buikzijde van een segment (insect). buikzijde carapax (spin)
stigma
opening van een trachee aan de zijkant van het lichaam
stipes
scleriet van de maxilla die articuleert met de cardo
stippeling
putjes, b.v. op dek- of halsschild
striduleren
tsjirpen
stylopisatie
infectie van een gastheer met een soort van de strepsiptera
subcosta
derde longitudinale ader in een vleugel (z. ook precosta, costa)
subsociaal
sociaal systeem met enige broedzorg na het uitkomen van de eieren (z ook eusociaal)
submentum
basale scleriet van het labium, articuleert apicaal met mentum
sutuur
aan de buitenkand zichtbare naad die de vergroeiing van twee chitineplaten (sclerieten) kan markeren
synantroop
geassocieerd met mensen of menselijke bewoning (bv kakkerlakken)
synapomorfie
gelijkvormigheid door gezamenlijke afstamming (z homoplasie)
synomoon
communicatiestof die zowel van nut is voor ontvanger als zender

TEdit

tagma
een van de 2 hoofdgeledingen van het spinnen- of 3 van het insectenlichaam, ontstaan door versmelting van een aantal segmenten.
tagmosis
het vormen van tagma's uit segmenten
tars
zie tarsus
tarsomeer
ieder van de tarsussegmenten
tarsus
(insect) voet, laatste deel van de poot, bestaat uit tot 5 kleine segmentjes met een klauw. (spin) pootsegment net voor de klauw.
taxon
taxonomische indelingsgroep, ongeacht het niveau.
tergum
rugkant van achterlijfssegment van een insect
tergiet
stevig deel van de rugkant van achterlijf van een insect
thermofiel
warmteminnend
thorax
borststuk (3 segmenten)
tibia (tibiae)
scheen (insect, pootsegment 4) (spin, pootsegment 5)
trachee
luchtbuisje
tracheekieuw
bladvormig aanhangsel (in drievoud) aan het achterlijf van waterjufferlarven (zie staartlamel)
traumatische inseminatie
bevruchting door penetratie van de lichaamshuid ipv de vagina
trichobothrium
dunne dwars afstaande zintuighaar (spin)
triunguline
actieve beweeglijke larve in het eerste stadium, vaak hypermetamorfose ondergaand
trochanter (trochanteres)
2e segment van de poot

UEdit

unguis
nagel, ook klauw, zie aldaar
univoltien
een generatie per jaar producerend
ubiquist
benaming voor dieren die overal voorkomen en niet aan een bepaald klimaat of geografische plaats gebonden zijn

VEdit

ventraal
aan de buikzijde
verspreidingsferomoon
geurstof die zorgt dat soortgenoten niet te dicht op elkaar gaan zitten
vertex
ruimte tussen de ogen aan de bovenkant van de kop
voltien
1 generatie per jaar producerend

WEdit

werkster
vrouwelijke bij of mier die in de kolonie werkt maar zich niet voortplant.

XEdit

xerofiel
drought loving
xylophagous
wood-eating

YEdit

ZEdit

External linksEdit

Hymenoptera-glossarium (Engels)

Around Wikia's network

Random Wiki